De juridische band tussen partners
Suriname kent een veelheid aan partnerrelaties. Opstellen van criteria voor alle samenlevingsvormen lijkt daarom veel op het vellen van een Salomons oordeel. Mr. Dr. Monique Veira gaat de uitdaging aan en begint bij het begin: wat zeggen onze wetboeken over relaties tussen partners. Onderstaand haar conclusie. (Voor de volledige tekst zie Links.)
Mr. Dr. Monique A. Veira
De juridische relatie tussen partners, 15-Jan-2007
In Suriname zijn huwelijksrelaties ethisch-godsdienstig gebonden. Recentelijk is deze ethisch-godsdienstige gebondenheid uitgebreid doordat voorgangers van alle gevestigde religieuze organisaties nu, na voldoening aan een aantal voorwaarden, bevoegd zijn om ook huwelijken te sluiten. Dit kan ertoe leiden dat het aantal wettige huwelijken zal stijgen. De status quo is echter dat het verschil in percentage tussen het aantal niet-huwelijkse en het aantal huwelijksrelaties klein is (30,1 % tegenover 38,5 % huwelijks relaties ). Uit het bovenstaande komt naar voren dat vrijwel alle juridische aspecten van de huwelijksrelatie en haar gevolgen geregeld zijn, terwijl de wetgever zich nauwelijks heeft ingelaten met de regeling van de niet-huwelijkse relaties. Partners in huwelijksrelatie hebben daardoor zowel voor als tijdens het huwelijk voor wat betreft de wederzijdse verplichtingen een redelijke mate van rechtszekerheid, terwijl partners in niet-huwelijkse relaties deze rechtszekerheid missen. Om dit euvel te verhelpen, zijn er pogingen gedaan om de niet-huwelijkse relaties die het meest op het huwelijk lijken, namelijk de concubinaatrelaties, te onderzoeken en na te gaan of zij juridisch gezien gelijk gesteld moeten aan de huwelijkse. Deze pogingen hebben anders dan in Nederland het geval is geweest, niet tot wetgeving geleid. Redenen hiervoor zijn volgens mij van tweeërlei aard. Eén reden zou zijn dat met deze gelijkstelling de verzorgingsgedachte en de daaraan gekoppelde afhankelijkheidsrelaties opgedrongen worden aan partners die deze gedachte vaak genoeg afwijzen. Uit voornoemd onderzoek blijkt namelijk dat hoe minder formeel de relatie is, hoe minder de respondenten van mening waren dat er na beëindiging van de relatie alimentatie aan de ex-partner betaald moest worden c.q. voor hen gezorgd moest worden. Een andere reden zou volgens mij kunnen zijn de aanleiding tot de creatie van de andere geïnstitutionaliseerde relatievorm in Nederland namelijk het geregistreerde partnerschap. Oorspronkelijk ging het in Nederland namelijk om de registratie van de samenleving van personen tussen wie een huwelijksbeletsel bestond op grond van te nauwe verwantschap of op grond van gelijkheid van geslacht. De Surinaamse samenleving staat volgens mij evenals de Arubaanse (nog) afwijzend tegenover een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht. Surinaamse literatuur hierover ben ik echter niet tegengekomen. Ik vind dat wetgever zich niet zou moeten inlaten met de ethisch-godsdienstige zijde van het huwelijk, maar dat hij zich nadrukkelijk zou moeten beperken tot de burgerlijke betrekkingen. Dit omdat iedereen op grond van artikel 17 lid 1 van de Surinaamse grondwet recht heeft op privacy. Dit betekent dat partners vrij moeten zijn om voor elke relatie vorm te kiezen, zonder belemmerd te worden door de ethisch-godsdienstige opvattingen die de wetgever aan de grondslag van huwelijkswetgeving heeft gelegd. Hieruit volgt dat ook zij die te nauw verwant zijn aan elkaar en zij die van hetzelfde geslacht zijn eveneens de mogelijkheid moeten hebben om voor een geïnstitutionaliseerde vorm die op het huwelijk lijkt, te kiezen. Niemand mag immers volgens artikel 8 lid 2 van de Grondwet gediscrimineerd worden op grond van zijn geslacht of afkomst. Het geregistreerd partnerschap zoals Nederland dat heeft opgenomen in haar Wetboek is een voorbeeld van een manier waarop dat kan. Een andere manier van kijken naar dit vraagstuk is vanuit het perspectief van de samenleving. Wij als samenleving bepalen de heersende moraal. Een gegeven is dat de heersende moraal in Suriname anno 2006 lijkt te zeggen dat huwelijken tussen mensen van hetzelfde geslacht niet plaats mogen vinden. Als de wetgever een samenleving iets oplegt dat in feite een wettelijke verplichting is, maar waar die samenleving nog niet aan toe is, lijkt dit ook een dilemma te zijn. Of moet de wetgever toch voorop lopen bij het in gang zetten van maatschappelijke veranderingen? Bij de vergelijking tussen de huwelijks en de niet-huwelijkse relaties is verder naar voren gekomen dat de duurzaamheid in de buitenhuwelijkse relaties leidt tot lotsverbondenheid hetgeen weer leidt tot het ontstaan van de verzorgingsgedachte. Door de sluiting van het huwelijk is er meteen sprake van een lotsverbondenheid die tot uitdrukking komt in de verzorgingsgedachte. De gehuwde partners hebben vanaf het moment van sluiting van het huwelijk recht op een aantal voorzieningen van de andere partner, terwijl de partners in niet-huwelijkse relaties deze voorzieningen pas na jaren samenleven verkrijgen. Moeten om deze reden andere relatievormen dan het huwelijk ook geïnstitutionaliseerd worden? Ik ben de mening toegedaan dat de wijze waarop vorm gegeven moet worden aan een relatie een keus van de partners en niet van de wetgever is. Partners die niet kiezen voor een huwelijk of een variant daarvan, moeten wel kennis hebben van de mogelijkheden ter regeling van de vermogensrechtelijke aspecten van hun relatie. Het geven van bekendheid aan het samenlevingscontract is hierbij een optie. De vrijheid van partners om ondanks deze kennis ervoor te kiezen om de vermogensrechtelijke aspecten van hun relatie niet te regelen moet mijns inziens voorop blijven staan. Paramaribo, januari 2007
Mr. Dr. Monique A. Veira - Monique Veira behaalde in 2006 haar Doctorsbull in de rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Ze doceert aan de Adekus en is redactielid van het Surinaams Juristenblad.