Nieuwe katvissen
-
De Pseudancistrus kwinti en de Pseudancistrus kwinti
Prof. J. Mol
Adekus Infobulletin Jaargang 10 Nr 4, mei 2010, 23-Jun-2010
Twee opmerkelijke, ‘nieuwe’ meervallen (katvis) uit Suriname genoemd naar respectievelijk de Kwinti marrons en prof. Mol: de rol van de Anton de Kom Universiteit in onderzoek naar Surinaamse vissen.
In 2004 werd door Conservation International een zogenaamde Rapid Assessment Program expeditie naar de boven Coppename rivier in het Centraal Suriname Natuur Reservaat georganiseerd. Deze RAP expeditie had tot doel de leemte in de kennis van de aquatische ecosystemen van het CSNR te vullen; het CSNR werd immers in November 2000 door de UNESCO erkend als een World Heritage site. De Anton de Kom Universiteit, in het bijzonder de Nationale Zoologische Collectie Suriname, had een belangrijke rol bij de organisatie van deze logistiek ingewikkelde expeditie.
Een helicopter werd ingezet om een team van Surinaamse en buitenlandse wetenschappers vanuit Foengoe eiland in het bovenstroomse gebied te brengen. Kwinti bootsmannen van Witagron en Kaimanston verzorgden het vervoer op de rivier. Vissen werden gevangen door Dr Phil Willink, Dr Barry Chernoff, Dr Mike Cooperman en Prof. Jan Mol en soms door de Kwinti bootsmannen. Na gedurende een volle maand de ongestoorde ecosystemen van de boven Coppename te hebben bemonsterd (en daarbij geen mens te hebben ontmoet!) keerden de wetenschappers met hun vangsten en data terug naar Paramaribo. Tijdens het identificeren van de vissen van de boven Coppename in het Field Museum te Chicago werd door Prof. Mol een kleine meerval ontdekt met wit-donkere strepen die hij nog niet eerder had gezien.
Vier jaar later lukte het Dr Phil Willink het verband te leggen tussen het gestreepte meervalletje (een juvenile exemplaar) en twee volwassen exemplaren van de nieuwe soort in de Coppename viscollectie. Aan de volwassen exemplaren met volle ‘baard’ werd duidelijk dat de nieuwe soort verwant moet zijn aan andere meervallen uit de ‘barbatus/baard’ groep, zoals Pseudancistrus barbatus van de Marowijne (met rode ‘baard’), P.depressus van de Suriname rivier en P.corantijniensis van de Corantijn rivier.
Pseudancistrus kwinti is een vrij kleine, gepantserde meerval met ventrale mond in de familie van de Loricariidae (de familie van ‘warawara’ en ‘liba-kwi’). Deze mooie meerval is tot op heden alleen bekend van de boven Coppename rivier (dat wil zeggen dat de soort endemisch is voor deze rivier).
De nieuwe soort werd onlangs beschreven door Willink, Mol, en Chernoff in het tijdschrift Zootaxa 2332 (2010) als Pseudancistrus kwinti. De soort werd dus genoemd naar de Kwinti marrons die in het gebied leven en vissen en een belangrijke rol hebben gespeeld in het slagen van de RAP expeditie. De Kwinti marrons kunnen ook een belangrijke rol spelen bij het beheer van het CSNR (en het beschermen van P. kwinti), in het bijzonder het controleren van de toegang tot het reservaat over de rivier vanuit benedenstroomse richting.
In het tijdschrift van de Academy of Natural Sciences of Philadelphia, Notulae Naturae (December 2009), beschrijven John Lundberg en Beatrice Parisi een nieuwe meerval van de boven Corantijn rivier: Pimelabditus moli. De meerval is naar Prof. Jan Mol genoemd ‘for his contributions to the knowledge of Suriname’s fishes’ (Parisi & Lundberg, 2009). Deze middelgrote meerval (14 cm standaard lengte), die direct van andere Surinaamse meervallen te onderscheiden is aan zijn relatief grote ogen, bleek niet makkelijk te verzamelen en is tot op de dag van vandaag slechts bekend van 5 exemplaren, waarvan 2 in Parijs, 2 in Geneve en 1 in Philadelphia zijn opgeslagen.
De eerste twee exemplaren werden verzameld door franse ichthyologen in dienst van het museum van Parijs, tijdens festiviteiten van Wayana indianen in de grote droge tijd. Bij een dergelijk feest gaat een heel dorp de nekoe liaan verzamelen om vervolgens hiermee een soela complex te ‘ponsen’ (dat wil zeggen de rivier vergiftigen met rotenon uit de nekoeliaan om de vissen te vangen). De twee eerste exemplaren werden bij afzonderlijke gelegenheden (in twee verschillende jaren) verzameld: dat wil zeggen dat bij het ponsen van een grote soela, waarbij door de Wayana duizenden vissen voor consumptie werden verzameld, steeds slechts één P. moli meerval door de ichthyologen kon worden verzameld. De fransen wisten niet goed raad met deze meerval soort en beschreven de vis in de ‘Atlas des poisson d’eau douce de Guyane (tome 2, fascicule II)’ als een nieuwe ‘Cheirocerus’ soort (Le Bail et al. 2000).
De Amerikaanse specialist in de familie Pimelodidae, Dr John Lundberg, dacht echter niet dat deze vreemde meerval een Cheirocerus soort betrof. Dr Lundberg maakte vervolgens contact met Prof. Mol om een expeditie naar de boven Corantijn rivier te organiseren met het doel meer exemplaren te verzamelen voor nadere studie. Hoewel Prof. Mol waarschuwde dat de betreffende meerval mogelijk niet gemakkelijk te vangen zou kunnen zijn (gezien de wijze waarop de eerste twee exemplaren werden verzameld) is de expeditie naar de boven Corantijn in April 2007 toch van start gegaan. Behalve Lundberg en Mol, hebben aan deze expeditie deelgenomen Dr Phil Willink (Chicago Field Museum), Dr Mark Sabaj (Philadelphia Museum), Kenneth Wan Tong You, Anil Gangadin (Zoologische Collectie), alsmede een 4-tal inheemsen van het dorp Anapayke. Hoewel tijdens een volle week vissen met soms niet ongevaarlijke methoden (s’nachts tot over het middel in snelstromende soela’s) veel interessante vissoorten werden verzameld, waaronder tenminste twee nieuwe soorten (een zoetwater ansjovis en een Cyphocharax sriba), lukte het helaas niet om exemplaren van de vreemde meerval bemachtigen. Een jaar later in October 2008 had Prof. Mol meer geluk in de Tapanahoni rivier bij het dorp Paloemeu, dit keer in gezelschap van de ichthyologen Dr Juan Montoya en Dr Raphael Covain van het Natuur Historisch Museum in Geneve (Zwitserland) en wederom Kenneth Wan Tong You. Er werden dit keer maar liefst 3 exemplaren verzameld, waarvan twee in een kieuwnet naast een kleine soela, niet ver benedenstrooms van het dorp Paloemeu. De vissen werden gefotografeerd (zie foto 3) en er werden weefsel monsters genomen voor DNA analyse. Vervolgens werden de vissen geconserveerd in formaline voor langdurige opslag in musea. Prof. Mol stuurde de foto’s van de gevangen meervallen naar Dr Lundberg die de vissen identificeerde als zijnde exemplaren van de vreemde nieuwe meerval soort. Nadat Dr Lundberg de vissen had toegestuurd gekregen vanuit Geneve kon de nieuwe soort worden beschreven. Uit CT-scan foto’s van de schedel en in het bijzonder de kaken en tanden bleek dat de nieuwe soort niet in een bestaand geslacht van de familie Pimelodidae kon worden geplaatst. Het was dus nodig een nieuw geslacht te maken: Pimelabditus. Dit geeft aan dat de nieuwe soort toch wel een bijzondere vis is. Ook wijzen de eerste resultaten van de DNA analyse door Dr Raphael Covain (Geneve) op een nieuw geslacht binnen de familie Pimelodidae. Vervolg onderzoek naar de relaties van het nieuwe geslacht Pimelabditus met bestaande geslachten binnen de familie Pimelodidae is in uitvoer en zal binnenkort worden gepubliceerd door Dr Lundberg. Dr Lundberg (2009) schrijft dat, in het licht van de lange geschiedenis van ichthyologisch onderzoek aan de visfauna van het Guyana schild (bijvoorbeeld Mees 1974 m.b.t. de familie Pimelodidae in Suriname), het misschien verrassend is dat er heden ten dage nog een zo opvallende soort/geslacht als Pimelabditus moli kan worden ontdekt. Aan de andere kant (schrijft Lundberg) is het habitat waar de vis lijkt voor te komen (tussen rotsen in soela’s van grote rivieren) niet erg toegankelijk en moeilijk te verzamelen. Toch weten we nog te weining van deze soort af om zijn habitat goed te kunnen beschrijven (de twee exemplaren die nabij Paloemeu werden gevangen leken niet echt tussen de rotsen te leven). In de toekomst zal meer onderzoek moeten worden verricht naar de ecologie en het habitat van deze uitzonderlijke meerval; mogelijk zal dan blijken dat deze soort niet zo zeldzaam en/ of moeilijk te vangen is als nu het geval lijkt te zijn.
Een conclusie van de ontdekking van de uitzonderlijke meerval P. moli alsmede twee nieuwe soorten (zoetwater ansjovis en Cyphocharax sriba) van de boven Corantijn zou kunnen zijn dat we de visfauna van deze grote rivier nog lang niet goed kennen en dit ondanks veel recent onderzoek van deze grensrivier door ichthyologen van het museum van Parijs (zie de ‘Atlas des poisons d’eau douce de Guyane’, 1996-2000). De recente ontdekking in 2005/2006 van enkele nieuwe meervallen in een klein kreekje hoog in het Nassau gebergte (Conservation International 2007) lijkt deze conclusie te onderschrijven. De Amerikaanse zangeres Joni Mitchell waarschuwde al dat ‘you don’t know what you got till it’s gone’ en het is duidelijk dat we erg voorzichtig moeten zijn in hoe we omgaan met onze rivieren en kreken. Als we niet oppassen sterven vissoorten (sommige waarvan we het bestaan zelfs niet weten) uit door ons toedoen. Ik denk hierbij in het bijzonder aan fragiele en ruimtelijk-beperkte ecosystemen zoals de kleine Paramacca bergkreek in het Nassau gebergte.
•
Prof. J. Mol -
